About this glossary

Description

Terminology from TT-Software - Dut7Translations 1111.xls

Languages
nl → en
Terms
1,111
Tags
IT
Last Updated
2026-01-03
Source
View on GitHub
DutchEnglishNotes

aannemen

hypothese [v]: assume; suppose, waarschijnlijkheid [v]: assume; presume; suppose; take for granted; surmise [formal]; guess [informal], methode [v]: adopt; imitate, wetten [v]: adopt; vote to accept; pass, feit [v]: presume; postulate [formal]; posit [formal], kind [v]: adopt, beroep [v]: employ; hire; take on; appoint to a job; give a job to; put to work, kleur [v]: take on, accepteren [v]: accept; receive; take, aanvaarden [v]: accept; acknowledge, geloven [v]: accept; believe

fout

antwoord [a]: false; erroneous [formal]; incorrect; wrong, idee [a]: mistaken; wrong, incorrect [a]: incorrect; not correct, karakter [n]: defect; shortcoming; fault; frailty; vice, voorwerpen [n]: fault; defect; flaw, persoon [n]: fault, tekort [n]: demerit; fault, vergissing [n]: error; mistake; fault, gebrek [n]: flaw; imperfection; weakness, plan [o]: awry; amiss [formal]; wrong, verkeerd [o]: wrong; incorrectly; wrongly; amiss

gelijktijdig plaatshebben

samenvallen [v]: coincide; occur simultaneously; happen together

gelijkvloers

gebouw [n]: ground floor; first floor; downstairs

gelijkvloerse kruising

spoorwegen [n]: grade crossing; crossing

gelijkvormig

vorm [a]: uniform, geometrie [a]: similar

gelijkvormigheid

algemeen [n]: uniformity; conformity

gelijkwaardig

kwaliteit [a]: equal; of the same quality, mensen [a]: equal

gelijkwaardigheid

algemeen [n]: equivalence

gelijkzijdig

geometrie [a]: equilateral

gelimiteerd

beperkt [a]: confined; restricted; limited

geloei

wind [n]: howl

gelofte

verplichting [n]: vow; oath; solemn promise

gelofte afleggen

belofte [v]: vow; promise solemnly

geloof

algemeen [n]: credence, vertrouwen [n]: confidence; trust; faith; belief; credit; reliance

geloof hechten aan

geloven [v]: give credit to

geloofsbelijdenis

godsdienst [n]: credo; creed

geloofsgemeenschap

godsdienst [n]: denomination [formal]

geloofsovertuiging

godsdienst [n]: faith; creed; conviction; persuasion

geloofwaardig

verklaring [a]: credible; believable; plausible; dependable; reliable; authentic, persoon [a]: dependable; reliable; trustworthy; calculable; credible, betrouwbaar [o]: authentically; reliably

geloofwaardigheid

verklaring [n]: credibility; believability

geloven

mening [v]: believe; suppose [formal], godsdienst [v]: believe; be religious, aannemen [v]: accept; believe

geloven in

vertrouwen [v]: believe in; have trust in; have faith in

gelovige

godsdienst - man [n]: believer, godsdienst - vrouw [n]: believer

gelovig zijn

godsdienst [v]: be religious

gelui

klokketoren [n]: peal; ringing

geluid

algemeen [n]: sound; noise

geluiddemper

geweer [n]: silencer

geluiddicht

constructie [a]: soundproof

gelukwensen

feliciteren [v]: congratulate; felicitate; compliment

gelukwensend

feliciterend [a]: congratulatory; complimentary; felicitating; praising

gelukwenser

man [n]: well-wisher

gelukwensster

vrouw [n]: well-wisher

gelukzak

geluk - man [n]: lucky dog; lucky devil; lucky bastard [slang], geluk - vrouw [n]: lucky dog; lucky devil; lucky bastard [slang]

gelukzalig

geestestoestand [a]: elated; euphoric; ecstatic; overjoyed; blissful; extremely happy

gelukzaligheid

gevoelstoestand [n]: beatitude; blessedness, zaligheid [n]: bliss; complete happiness

gelukzoeker

man [n]: adventurer

gelukzoekster

vrouw [n]: adventuress

gelul

gepraat [n]: poppycock [informal]; twaddle; foolish talk, belangrijkheid [n]: baloney [informal]; boloney [informal]; bunkum [informal]; buncombe [informal]; rubbish; bullshit [slang]

gemaakt

algemeen [a]: made, gedrag [a]: mannered [formal]; affected, gerepareerd [a]: fixed; repaired

gemaakte schuchterheid

gedrag [n]: coyness

gemaaktheid

gedrag [n]: artificiality

gemaakt lachen

algemeen [v]: simper

gemachtigd

toestemming [a]: accredited; authorized; entitled; empowered; competent; commissioned

gemachtigde

gemachtigde tussenpersoon - man [n]: attorney, gemachtigde tussenpersoon - vrouw [n]: attorney

gemachtigde tussenpersoon

algemeen [n]: authorized agent

gemak

algemeen [n]: ease; effortlessness, voordeel [n]: convenience, comfort [n]: comfort; ease

gemakkelijk

eenvoudig [a]: easy; not difficult; simple; elementary, algemeen [o]: readily, moeiteloos [o]: easily; without difficulty; effortlessly

gemakkelijk demonteerbaar

apparaat [a]: easily disassembled; easily dismantled

gemakkelijke zege

algemeen [n]: walkaway; walkover; easy victory

gemakkelijk gaan zitten

ontspanning [v]: settle back

gemakkelijkheid

algemeen [n]: ease; effortlessness

gemakkelijk ongelukken krijgend

algemeen [a]: accident-prone

gemakkelijk pratend

gedrag [a]: voluble [formal]; talkative

gemakkelijk te verwarren

algemeen [a]: mistakable

gemakshalve

algemeen [o]: for the sake of convenience; as a matter of convenience

gemakzuchtig

gedrag [a]: idle; lazy; easygoing; indolent

gemaniëreerd

taal [a]: mincing; affected, gedrag [a]: mannered [formal]; affected

gemarkeerd

merkbaar [a]: marked

gemarteld

gevoelstoestand [a]: tortured; tormented; agonized; vexed [arch.]

gemaskerd bal

dansen [n]: bal masqué; masked ball

gematigd

aanvaardbaar [a]: moderate, klimaat [a]: temperate, persoon [a]: sober; temperate [formal], gedrag [a]: moderate; middle-of-the-road, algemeen [o]: moderately

gematigde

politiek - man [n]: moderate, politiek - vrouw [n]: moderate

gematigdheid

gedrag [n]: moderation; temperance

gember

plantkunde - culinair [n]: ginger

gemberbier

dranken [n]: ginger ale

gembercake

culinair [n]: gingerbread

gemberkoek

culinair [n]: gingerbread

gemeen

oneerlijkheid [a]: roguish, moreel gedrag [a]: bad; vile; base, plantkunde [a]: common; vulgar, gedrag [a]: mean; malicious; awful; unpleasant; nasty; bitchy; hurtful; spiteful; catty; evil-minded; wicked; vicious; sordid; rascally; scurrilous [formal]; rotten, verachtelijk [a]: despicable; contemptible; detestable; hateful

gemeendheid

persoon [n]: earnestness

gemeengoed maken

nieuws [v]: vulgarize; popularize

gemeengoed worden

idee [v]: become generally accepted; become widely accepted

gemeenheid

algemeen [n]: nastiness, gedrag [n]: spitefulness; meanness; cattiness, verachtelijkheid [n]: baseness; meanness; contemptibleness; contemptibility; vileness; viciousness; wickedness; turpitude [formal]

gemeenplaats

verklaring [n]: platitude [pej.], cliché [n]: commonplace; triteness

gemeenschap

algemeen [n]: society, bezit [n]: community, mensen [n]: community, publiek [n]: community; public

gemeenschappelijk

algemeen [a]: communal; mutual; common; shared, verantwoordelijkheid [a]: collective; shared; corporate; joint, inspanning [a]: collective; combined; joint; corporate; united; conjoint [formal]

gemeenschappelijke deler

wiskunde [n]: common factor; common divisor

gemeenschappelijke noemer

wiskunde [n]: common denominator

gemeenschaps-

algemeen [a]: communal

gemeente

algemeen [n]: municipality; township, godsdienst [n]: congregation

gemeentebestuur

administratie [n]: town council; corporation, politiek [n]: municipality

gemeentehuis

openbaar gebouw [n]: town hall

gemeentelijk

algemeen [a]: municipal

gemeenteraad

administratie [n]: town council; corporation, politiek [n]: council; town council

gemeenteraadslid

politiek - man [n]: municipal councilor; councilor; alderman; municipal councillor; councillor; councilman; councilperson, politiek - vrouw [n]: municipal councilor; councilor; alderwoman; municipal councillor; councillor; councilwoman; councilperson

gemeentesecretaris

politiek - man [n]: town clerk, politiek - vrouw [n]: town clerk

gemeenteverordening

rechten [n]: city law

gemeenzaam

taal [a]: demotic; popular

gemeenzaamheid

uitdrukking [n]: colloquialism

gemeenzame taal

taal [n]: slang

gemelijkheid

gedrag [n]: sullenness; surliness

gemenebest

politiek [n]: republic; commonwealth

gemengd

algemeen [a]: assorted; mixed

gemeubeld

algemeen [a]: furnished

gemeubileerd

algemeen [a]: furnished

gemiauw

kat [n]: yowl

gemiddeld

algemeen [a]: average

gemiddelde

algemeen [n]: par, wiskunde [n]: average; mean

gemiddelde waarde

wiskunde [n]: average; mean

gemillimeterd

haar [a]: close-cropped; close-cut

Gemini

astrologie [n]: Gemini

gemorste

vloeistof [n]: spill; spillage

gems

zoölogie [n]: chamois

gemurmel

geluid [n]: murmur

gemuteerd

biologie [a]: mutant

gen

biologie [n]: gene

genaamd

algemeen [a]: named

genade

algemeen [n]: mercy

genadeklap

gebeurtenis [n]: final blow; deathblow; death warrant, misdaad [n]: coup de grâce; deathblow; finishing stroke

genadeloos

gedrag [a]: merciless; uncompassionate

genadeslag

gebeurtenis [n]: final blow; deathblow; death warrant, misdaad [n]: coup de grâce; deathblow; finishing stroke, doodklap [n]: deathblow; fatal blow

genadig

gedrag [a]: merciful

gênant

schaamte [a]: embarrassing, situatie [a]: awkward; embarrassing

gendarmerie

politie [n]: state police; state police force

geluiddicht maken

constructie [v]: soundproof

geluidloos

geluid [a]: soundless, geluid [o]: quietly; silently; noiselessly

geluids-

algemeen [a]: acoustic, radio [a]: audio, fysica [a]: sonic

geluidsbarrière

luchtvaart [n]: sound barrier

geluidsdemping

constructie [n]: soundproofing; deadening of sound

geluidseffecten

bioscoop [n]: sound effects

geluidshinder

geluid [n]: noise nuisance

geluidsinstallatie

muziek [n]: sound equipment; stereo

geluidsisolatie

constructie [n]: sound insulation; soundproofing

geluidsmuur

luchtvaart [n]: sound barrier; sonic barrier

geluidsoverlast

geluid [n]: noise nuisance

geluidspoor

technisch [n]: soundtrack

geluidssterkte

radio - televisie [n]: volume

geluk

algemeen [n]: luck; chance; coincidence, succes [n]: luck; fortune; good fortune, gevoelstoestand [n]: happiness; joyfulness

geluk hebben

geluk [v]: be lucky; be in luck

gelukken

succes [v]: succeed; be successful; work; come through; succeed in; manage to; contrive to

gelukkig

algemeen [a]: fortunate; lucky, gevoelstoestand [a]: happy; glad; joyful, algemeen [o]: fortunately; happily; luckily; thankfully

gelukkige verjaardag

wens [o]: happy birthday

gelukkig nieuwjaar

wens [o]: Happy New Year

geluksperiode

tijd [n]: winning streak

gelukstreffer

succes [n]: lucky break; fluke; stroke of luck; piece of luck

geluksvogel

geluk - man [n]: lucky dog; lucky devil; lucky bastard [slang], geluk - vrouw [n]: lucky dog; lucky devil; lucky bastard [slang]

gelukwens

felicitatie [n]: congratulation; felicitation; complimenting

gêne

geestelijke gewaarwording [n]: discomfort, gevoelens [n]: embarrassment; shame; abashment

genealoge

wetenschap - vrouw [n]: genealogist

genealogie

wetenschap [n]: genealogy

genealogisch

algemeen [a]: genealogical

genealoog

wetenschap - man [n]: genealogist

geneesbaar

geneeslijk [a]: curable; healable; remediable

geneesheer

geneeskunde - man [n]: doctor; physician

geneeskrachtig

kruiden [a]: curative, geneeskunde [a]: medicated; medicinal

geneeskunde

wetenschap [n]: medicine

geneeskundig

geneeskunde  [a]: medicinal

geneeskundige verzorging

gezondheid [n]: medical care

geneeskunst

wetenschap [n]: medicine

geneeslijk

geneesbaar [a]: curable; healable; remediable

geneesmiddel

apotheek [n]: medication; medicine; medicament; drug; cure

geneesster

persoon - vrouw [n]: faith healer; healer

genegen

attitude [a]: disposed; inclined

genegenheid

gevoelens [n]: affection; tender feeling

geneigd

gevoelstoestand [a]: disposed [formal]; willing; inclined

geneigdheid

neiging [n]: proclivity [formal]; proneness; propensity [formal], gedrag [n]: tendency; inclination [formal]

geneigd tot

neiging [o]: apt to; prone to; tending to; liable to; inclined to

geneigd zijn

gedrag [v]: incline; tend; be apt

generaal

militair [n]: general

generaal-adjudant

militair [n]: aide-de-camp

generaal pardon

politiek [n]: amnesty; pardon

generalisatie

algemeen [n]: generalization

generaliseren

algemeen [v]: generalize

generatie

algemeen [n]: generation, elektriciteit [n]: generation; production

generatiekloof

algemeen [n]: generation gap

generator

stoom [n]: generator, elektriciteit [n]: generator

genereren

algemeen [v]: generate

genereus

persoon [a]: generous; bounteous [formal]; liberal; unsparing, gedrag [a]: generous; unselfish; munificent

genereuze daad

algemeen [n]: generosity

generositeit

gedrag [n]: generosity; munificence [formal]

genese

begin [n]: genesis; origin; birth, oorsprong [n]: genesis [formal]; birth

genesis

oorsprong [n]: genesis [formal]; birth

genetica

wetenschap [n]: genetics, wetenschap - vrouw [n]: geneticist

geneticus

wetenschap - man [n]: geneticist

genetisch

biologie [a]: genetic

genetische biologie

wetenschap [n]: genetic engineering

genetische manipulatie

wetenschap [n]: genetic engineering

geneugte

genoegen [n]: nicety; delicacy

geneutraliseerd

nadeel [a]: compensated; counterbalanced; counterweighed; neutralized; offset, effect [a]: antagonized; counteracted; neutralized

Genève

aardrijkskunde [n]: Geneva

genezen

herstellen [n]: curing; healing; restoring to health, ziekte [v]: cure; heal; convalesce; recuperate; regain strength, geneeskunde [v]: recover; get well

genezend

ziekte [a]: convalescent; recovering; recuperating, geneeskunde [a]: curative

geniepig

algemeen [a]: sneaky; underhand, effect [a]: insidious, bedrog [a]: sneaky; dirty, gedrag [a]: sneaky

geprefabriceerd

constructie [a]: precast; prefabricated

geprefabriceerd huis

gebouw [n]: prefab [informal]; prefabricated house

geprefereerd

begunstigd [a]: favored; preferred

gepreoccupeerd zijn

geestestoestand [n]: preoccupation

gepubliceerd worden

publikatie [v]: be published; come out

geraakt

gevoelens [a]: affected; touched; picked; nettled; offended; insulted; affronted

geraamte

constructie [n]: framework; frame, gebouw [n]: shell, anatomie [n]: skeleton

geraas

geluid [n]: clamor; din

geraaskal

verhaal [n]: rigmarole [informal]; rigamarole [informal], woorden [n]: ravings

geraffineerd

sluw [a]: subtle; ingenious; crafty, technisch [a]: refined, gedrag [a]: sly; cunning; crafty; tricky; deceitful; designing; guileful

geraffineerdheid

plan [n]: subtlety

geraken

bestemming [v]: get

gerammel

geluid [n]: rattle; clatter; clanking; clank

geranium

plantkunde [n]: geranium

geratel

geluid [n]: rattle; clatter

geratificeerd

verdrag [a]: ratified; confirmed, politiek [a]: ratified; confirmed

gerealiseerd

tot stand gebracht [a]: accomplished; achieved

gerealiseerd worden

idee [v]: materialize; come true

gerecht

rechten - mensen [n]: court, rechten [n]: court; court of law; court of justice; tribunal; bench

gerechtelijk

rechten [a]: juridical [formal]; juridic [formal]; legal; judicial; forensic

gerechtelijk bevel

rechten [n]: injunction

gerechtelijke actie

rechten [n]: proceedings; legal proceedings

gereserveerdheid

gevoelens [n]: reservation

gereserveerd natuurdomein

jacht [n]: game preserve; preserve

gereserveerd zijn

voorwerpen [v]: be spoken for; be reserved

gerespecteerd

persoon [a]: respected; esteemed

geriater

geneeskunde - man [n]: geriatrician, geneeskunde - vrouw [n]: geriatrician

geriatrie

geneeskunde [n]: geriatrics

geriatrisch

geriatrie [a]: geriatric

geribbeld

textiel [a]: ribbed

gericht

elektronica [a]: directional

felicitaties

hartelijke gelukwensen [n]: congratulations; best wishes; good wishes; many happy returns

feliciteren

gelukwensen [v]: congratulate; felicitate; compliment

feliciterend

gelukwensend [a]: congratulatory; complimentary; felicitating; praising

felle aanval

scherpe kritiek [n]: diatribe; tirade; abusive criticism; bitter harangue

feminisme

ideologie [n]: feminism

feminist

persoon - man [n]: feminist

feministe

persoon - vrouw [n]: feminist

feministisch

algemeen [a]: feminist

fenegriek

plantkunde - culinair [n]: fenugreek

fenobarbital

apotheek [n]: phenobarbital

fenomeen

natuur [n]: phenomenon, man [n]: phenomenon, vrouw [n]: phenomenon

fenomenaal

algemeen [a]: prodigious; phenomenal, hoeveelheid [a]: prodigious; enormous

feodaal

geschiedenis [a]: feudal

fermenteren

biologie [v]: ferment

ferryboot

nautisch [n]: ferry; ferryboat

fertiel

tuinbouwkunde [a]: fertile; fecund [formal]; fruitful [arch.]; prolific, geneeskunde [a]: fertile; fecund [formal]

fertiliteit

landbouw [n]: fecundity; fruitfulness; fertility, geneeskunde [n]: fertility; fecundity

fervent

algemeen [a]: fervent, emotioneel gedrag [a]: fervent; ardent; zealous; enthusiastic; eager; avid; passionate, gedrag [a]: strenuous

festijn

algemeen [n]: fete; fête; gala

festival

gebeurtenis [n]: festival

festiviteit

gebeurtenis [n]: festivity

festiviteiten

gebeurtenis [n]: festivities

fetisj

algemeen [n]: amulet; talisman; fetish; charm

fetisjisme

algemeen [n]: fetishism

fetisjist

persoon - man [n]: fetishist

gericht naar

positie [o]: towards; toward

gerief

sport - vissen [n]: tackle

gerimpeld

gezicht [a]: furrowed; wrinkled, gegolfd [a]: corrugated; grooved

gering

bedrag [a]: insignificant; inconsiderable, mogelijkheid [a]: outside; slight, graad [a]: slight, hoeveelheid [a]: small; slight; exiguous; scanty; scant; meager; sparse, bepaling [o]: little

geringachten

waarde [v]: disparage

geringheid

algemeen [n]: paucity [formal]; dearth

geringschatten

waarde [v]: disparage, bemerking [v]: slight; treat as unimportant; make light of, gedrag [v]: slight; treat with disdain

geringschattend

bemerking [a]: derogatory; disparaging; belittling; depreciative; depreciatory, verachtend [a]: contemptuous; scornful; disdainful

geringschatting

gedrag [n]: slight, verachting [n]: contempt; disdain; scorn; disrespect, kleinering [n]: disparagement; belittlement

geringste

algemeen [a]: least, graad [a]: least; slightest, algemeen [n]: least

gerinkel

geluid [n]: rattle; clatter; crash; smash; clink; clanking; clank; ring

germinatie

plantkunde [n]: germination

geroep

stem [n]: shouting; yelling

geroezemoes

stemmen [n]: buzz; hum

gerokken

verlengd [a]: elongated; lengthened; extended; stretched

gerommel

donder [n]: rumble; roll; grumble

gerontologie

wetenschap [n]: gerontology

geroofde

misdaad [n]: booty; stolen goods; plunder; loot; spoil; spoils

gerookte ham

culinair [n]: gammon

gerookte haring

culinair [n]: kipper

geroosterd

culinair [a]: roast

everzwijn

zoölogie [n]: boar; wild boar

evident

duidelijk [a]: evident; apparent; clear; obvious; plain; unmistakable

evidentie

algemeen [n]: obviousness

fanatiekeling

emotioneel gedrag - man [n]: fanatic; zealot, politiek - man [n]: bigot, godsdienst - man [n]: zealot

fanatiekelinge

emotioneel gedrag - vrouw [n]: fanatic; zealot, politiek - vrouw [n]: bigot, godsdienst - vrouw [n]: zealot

fanatisme

algemeen [n]: fanaticism, gedrag [n]: bigotry

fanfare

muziek [n]: fanfare; brass band

fanfarekorps

muziek [n]: brass band

farao

geschiedenis [n]: pharaoh

faraorat

zoölogie [n]: mongoose

farce

theater [n]: farce, culinair [n]: dressing; stuffing

farceren

culinair [v]: stuff

farizeeër

geschiedenis [n]: Pharisee

farmaceutisch

algemeen [a]: pharmaceutical

farmacologe

wetenschap - vrouw [n]: pharmacologist

farmacologie

wetenschap [n]: pharmacology

farmacologisch

algemeen [a]: pharmacological; pharmacologic

fatsoenlijk

uiterlijk [a]: respectable, kleding [a]: presentable, persoon [a]: good, gedrag [a]: proper; acceptable; respectable; seemly [literature], behoorlijk [a]: fair; passable; reasonable; quite good

fatterig

algemeen [a]: foppish

fatum

toekomst [n]: destiny; fate; fortune; lot [formal]

faun

mythologie [n]: faun

fauna

natuur [n]: fauna

fauteuil

meubilair [n]: armchair; easy chair

faux pas

gedrag [n]: gaffe; faux pas

favoriet

man [n]: favorite

favoriete

vrouw [n]: favorite

fax

communicatie [n]: facsimile; fax

faxapparaat

kantoorbenodigdheden [n]: fax machine; fax

faxen

communicatie [v]: facsimile; fax

fazant

ornithologie [n]: pheasant

FBI

Verenigde Staten [n]: FBI; Federal Bureau of Investigation

februari

maand [n]: February

federaal

politiek [a]: federal

federaliseren

politiek [v]: federalize

federalisme

politiek [n]: federalism

federalist

politiek - man [n]: federalist

federaliste

politiek - vrouw [n]: federalist

federatie

politiek [n]: confederation; alliance; confederacy; federation

federatief

politiek [a]: federate; federated

fee

sprookje [n]: fairy

feedback

algemeen [n]: feedback

feeënrijk

sprookje [n]: fairyland

fetisjiste

persoon - vrouw [n]: fetishist

feuilletédeeg

culinair [n]: puff pastry

feuilleton

televisie [n]: serial

fez

kleding - man [n]: fez

fiasco

mislukking [n]: fiasco; failure; nonsuccess; flop; washout [informal]

fiberglas

materiaal [n]: fiberglass; fiber glass; fiber-glass; glass fiber

fibreus

materiaal [a]: fibrous

figuurzaag

timmerwerk [n]: jigsaw, werktuigen [n]: fretsaw

figuurzaagwerk

timmerwerk [n]: fretwork

fijn

diameter [a]: thin; fine, smaak [a]: delicate; dainty, substantie [a]: fine, kwaliteit [a]: fine, weer [a]: pleasant; nice; fine; agreeable; quaint, gebeurtenis [a]: enjoyable; delightful; lovely; pleasant; nice; pleasurable [formal], textiel [a]: delicate; fine; silken; soft; smooth; fine-drawn; finespun, lichaam [a]: slender; slim; lean, vrouw [a]: petite, persoon [a]: sweet; charming; lovely; attractive

fijn aanvoelingsvermogen

gevoelens [n]: sensitivity; instinctive feeling

fijne eetwaren

culinair [n]: delicatessen

fijne vleeswaren

culinair [n]: cold cuts

fijngestructureerd

hout [a]: close-grained

fijngevoelig

gedrag [a]: discreet; tactful

fijngevoeligheid

kunst [n]: sensitiveness; sensibility [formal]; sensitivity

fijnhakken

culinair [v]: chop up; mince; hash; chop

fijnmaken

culinair [v]: mash; mash up; purée; puree

fijnproefster

voedsel - vrouw [n]: gourmet; gastronome; epicure

fijnproever

voedsel - man [n]: gourmet; gastronome; epicure

fijnstampen

culinair [v]: mash; mash up, vergruizelen [v]: crush; pulverize, verpletteren [v]: pound; crush

fijt

geneeskunde [n]: whitlow

fiks

hoeveelheid [a]: hefty

fiksen

succes [v]: manage to; contrive to; fix; manage, baan [v]: manage; pull off

evocatie

gevoelens [n]: evocation; evoking; calling forth

evocatief

algemeen [a]: evocative

evolueren

algemeen [v]: develop; evolve

evolutie

ontwikkeling [n]: evolution; evolvement; development

evolutief

algemeen [a]: evolutionary

evolutietheorie

geschiedenis [n]: theory of evolution

evolutionair

algemeen [a]: evolutionary

ex

vrouw [n]: ex; former spouse

exact

exemplaar [a]: faithful; accurate, werk [a]: accurate; exact; rigorous, precies [a]: exact; precise, algemeen [o]: nicely; exactly; accurately; precisely, precies [o]: to a nicety; precisely; accurately, tijd [o]: promptly; precisely; exactly; prompt [informal]

examen

scholen [n]: test; examination; exam, scholen - universiteiten [n]: exam; test; examination

examinator

scholen - universiteiten - man [n]: examiner; examinant

examinatrice

scholen - universiteiten - vrouw [n]: examiner; examinant

examinering

scholen - universiteiten [n]: test

excavateur

machinerie [n]: excavator; steam shovel

excellent

prachtig [a]: excellent; outstanding; splendid; perfect; exquisite [formal]; smashing [informal]; cool [slang]

Excellentie

titel [n]: Excellency

excentriciteit

gedrag [n]: eccentricity; queerness; oddity; strangeness

excentriek

gedrag [a]: cranky; odd; queer; erratic; eccentric; kinky, bizar [a]: bizarre; fantastic, gedrag [o]: eccentrically

excentriekeling

man [n]: character; eccentric; weirdo [informal]; weirdie [informal]

excentriekelinge

vrouw [n]: character; eccentric; weirdo [informal]; weirdie [informal]; crank

exceptie opwerpen

rechten [v]: demur

exceptioneel

buitengewoon [a]: exceptional; unusual; extraordinary

excerperen

samenvatten [v]: epitomize; summarize; sum up

excerpt

boeken [n]: excerpt; extract

exces

algemeen [n]: indulgence; excess

excessen

algemeen [n]: excesses; unacceptable actions

excessief

prijzen [a]: excessive; immoderate; unreasonable; too much, graad [a]: inordinate [formal]

exclusief

club [a]: exclusive, plaats [a]: select; exclusive, enig [a]: exclusive; sole, zonder [o]: exclusive of; not including; excluding; not counting

excommunicatie

godsdienst [n]: excommunication

excommuniceren

godsdienst [v]: excommunicate

excrement

fysiologie [n]: excrement; ordure [formal], zoölogie [n]: excrement; droppings; dung; ordure [formal]

formalisme

algemeen [n]: formalism

formaliteit

algemeen [n]: formality, gedrag [n]: ceremony; formalities

formatie

luchtvaart - leger [n]: formation

formeel

algemeen [a]: formal, gedrag [a]: formal

formele kleding

kleding [n]: formal clothes; formal dress; evening dress

formica

materiaal [a]: Formica [trademark], materiaal [n]: Formica [trademark]

formidabel

obstakel [a]: formidable

formule

chemie [n]: formula, geneeskunde [n]: formula

formuleren

algemeen [v]: formulate; verbalize, verwoorden [v]: word; phrase; formulate; express in words

formulering

algemeen [n]: wording, woorden [n]: formulation; phrasing; wording, aktie [n]: formulation; phrasing; wording

fortuin

bezit [n]: fortune; wealth, succes [n]: luck; fortune

fortuinlijk

algemeen [a]: providential [formal]

fortuinzoeker

gedrag - man [n]: fortune hunter

fortuinzoekster

gedrag - vrouw [n]: fortune hunter

forum

vergadering [n]: forum, geschiedenis [n]: forum

fosfaat

chemie [n]: phosphate

fosfor

chemie [n]: phosphorus

fosfor-

chemie [a]: phosphoric; phosphorous

fosforescentie

algemeen [n]: phosphorescence

officieel

algemeen [a]: official, ceremonie [a]: ceremonial; ceremonious, administratie [a]: official, algemeen [o]: officially

officieel afscheid nemen

bedrijf [v]: bow out

officieel bewijsstuk

rechten [n]: exhibit

officieel geregistreerd

feit [o]: on record; ever recorded

officieel maken

baan [v]: confirm; make official

officieel optreden

algemeen [v]: officiate

officieel verklaren

algemeen [v]: declare officially

officiële bekrachtiging

diploma [n]: homologation; sanction

officiële erkenning

diploma [n]: homologation; sanction

officiële feestdag

viering [n]: public holiday

officiële goedkeuring

rechten [n]: approbation; official approval

officiële kennisgeving

schrijven [n]: notification [formal]; notice

officiële lijst

algemeen [n]: official list

officiële taal

algemeen [n]: official language

officier

militair [n]: officer

officiershalfdek

nautisch [n]: quarterdeck

officierskamer

militair [n]: wardroom

officieus

algemeen [a]: unofficial

óf het een óf het andere

keuze [o]: you can't have it both ways

of in elk geval

algemeen [o]: at least; at any rate; anyhow; anyway

of ... of

algemeen [o]: either ... or; or

of ouder

leeftijd [o]: plus; and above

ofschoon

voegwoord [o]: though

oftalmologie

geneeskunde [n]: ophthalmology

aan het hoofd zeuren

bekritiseren [v]: nag at

aan het lachen brengen

vermaak [v]: tickle; amuse

aan het licht brengen

nieuws [v]: expose; lay open

aanbelangen

aangaan [v]: concern; affect

aan het licht komen

uitlekken [v]: transpire; become known; unfold

aan het lijntje houden

bedrog [v]: string along

aan het spel zijn

algemeen [v]: be a compulsive gambler

aanhoren

klacht [v]: listen to; hear

aanhouden

voortduring [n]: continuation; persistence; continuance, algemeen [v]: last, misdadiger [v]: arrest; take into custody; apprehend [formal]; capture; run in [informal], transitief [v]: continue, pijn [v]: linger on, intransitief [v]: continue; go on, inspanning [v]: sustain; maintain, toespraak [v]: draw out; prolong; drag out, beroep [v]: keep on; retain, weer [v]: persist; keep up

aanhoudend

algemeen [a]: continual; prolonged, continuïteit [a]: continual; uninterrupted; incessant; constant; continuous; nonstop, tijd [a]: relentless, onafgebroken [a]: ceaseless; unceasing; unending; endless, voortdurend [a]: continuing; ongoing; persisting, tijd [o]: continuously; ceaselessly; incessantly; relentlessly; uninterruptedly, constant [o]: constantly; continually; continuously; persistently; at all times

aanhouder

ambitie - man [n]: go-getter; stayer

aanhouding

misdadiger [n]: apprehension [formal]; arrest; attachment

aanhoudingsbevel

misdaad [n]: arrest warrant

aanhoudster

ambitie - vrouw [n]: go-getter; stayer

aanbellen

deur [v]: ring

aan huis gebonden

omstandigheden [a]: housebound

aan iemands aandacht ontglippen

vergeten [v]: slip one's mind; escape someone's notice; escape someone's mind, aandacht [v]: escape one's attention

aan iemands aandacht ontsnappen

vergeten [v]: slip one's mind; escape someone's notice; escape someone's mind, aandacht [v]: escape one's attention

aan iemands oordeel overgelaten worden

aangelegenheid [v]: be open to somebody; be at the discretion of somebody

aan iemands verwachtingen beantwoorden

algemeen [v]: be up to one's expectations

aan iemand zijn

spelen [o]: be somebody's turn; be somebody's go

aanjagen

technisch [v]: supercharge

aankijken

persoon [v]: look at; eye

aanklaagster

vrouw [n]: accuser, rechten - vrouw [n]: complainant; plaintiff; petitioner; prosecutor

aanklacht

algemeen [n]: accusation; denunciation, rechten [n]: charge; accusation; plaint

aaien

algemeen [v]: fondle, aanraking [v]: pet; stroke, dieren [v]: stroke

aanbesteden

constructie [v]: put out to tender; contract out

aanklampen

algemeen [v]: accost, prostitutie [v]: solicit

aankleden

transitief [v]: dress; clothe

aankloppen

deur [v]: knock at; rap at

aanknopen bij

subject [v]: tie in with; link up with; take up

aanknopingspunt

subject [n]: point of departure; starting point

aankomen

algemeen [v]: arrive; reach destination; end up, gewicht [v]: put on weight; put on flesh; flesh out; put on

aanbetaling

bankwezen [n]: deposit, geld [n]: deposit; down payment

aankomen bij

doelstelling [v]: attain; reach; arrive at

aankomst

algemeen [n]: arrival; coming

aankondigen

algemeen [v]: prefigure [formal], toekomst [v]: foreshadow, begin [v]: prelude, waarschuwing [v]: forebode; portend [formal], radio - televisie [v]: announce, periode [v]: inaugurate, adverteren [v]: advertise; make known; publicize; give notice

aankondiging

krant [n]: advertisement; ad [informal], theater [n]: billing, verklaring [n]: announcement; declaration; annunciation

aankoop

goederen [n]: purchase [formal]; acquisition; buy [informal], handel [n]: buying; purchasing [formal]; purchase [formal]

aankopen

handel [n]: buying; purchasing [formal]; purchase [formal], handel [v]: buy; purchase [formal]

aankruisen

schrijven [v]: mark off; check off

aannemelijkheid

algemeen [n]: plausibility, verklaring [n]: credibility; believability, aanvaardbaarheid [n]: admissibility; acceptability

aannemend

algemeen [o]: presuming; supposing; presuming that; assuming; assuming that

aannemer

constructie [n]: developer, constructie - man [n]: builder; building constructor

aanneming

idee [n]: adoption

aan ommezijde

bladzijde [o]: overleaf

exhibitionisme

gedrag [n]: exhibitionism

aanpakster

gedrag - vrouw [n]: doer; energetic person; accomplisher; go-getter

aanbidden

godsdienst [v]: adore, persoon [v]: worship; adore; idolize; idolatrize; be mad about; be crazy about; dote on

aanpalend

aardrijkskunde [a]: contiguous, aangrenzend [a]: adjacent [formal]; adjoining; neighboring; next to

aanpasbaar

adapteerbaar [a]: adaptable; adjustable

aanpasbaarheid

algemeen [n]: adaptability

aanpassen

graad [v]: proportion [formal]; adapt, kleding [v]: try on, adjusteren [v]: adjust; adapt

aanpassen aan

verandering [v]: tailor to; tailor according to, situatie [v]: gear to; adapt to

aanpassing

algemeen [n]: adaptation; adjustment; alteration; modification; change; conformity

aanpassing aan het metrieke stelsel

algemeen [n]: metrication

aanpassingsvermogen

algemeen [n]: adaptability

aanplakbiljet

reclame [n]: poster; bill; placard

aanplakbord

reclame [n]: billboard

aanbidder

liefde - man [n]: beau [literature]; courter, man [n]: admirer; adorer; idolizer

aanpraten

leugen [v]: put into somebody's head; kid into, handel [v]: talk into; palm off on; palm off onto

aanprijzen

handel [v]: tout, aanbevelen [v]: recommend; praise; commend

afbranden

platbranden [v]: burn down; destroy by fire; burn off

afbreken

scheiden [v]: break off, onderhandeling [v]: break off, koord [v]: sever; break, relatie [v]: break off, telefoon [v]: cut off; interrupt, gebouw [v]: demolish; tear down; break down; destroy; knock down; pull down, voorwerpen [v]: snap off, linguïstiek [v]: hyphenate, chemie [v]: decompose, kleineren [v]: cry down; disparage; belittle; denigrate

afbrekend

kritiek [a]: destructive

afbrengen van

ontraden [v]: discourage; dissuade; advise against

afbreuk

reputatie [n]: derogation; detraction

afbreuk doen aan

waarde [v]: take away from; detract from

aalscholver

ornithologie [n]: cormorant; shag

aanduiden

algemeen [v]: denominate [formal]; designate; call, show [v]: indicate, richting [v]: indicate; point to, voorwerpen [v]: designate; indicate, technisch [v]: register

afbrokkelen

verf [v]: chip

afbuigen

afwijken [v]: deflect; turn aside; bend

afdak

architectuur [n]: lean-to

afdalen

berg [v]: come down; descend, naar beneden gaan [v]: descend; come down; go down

afdaling

aktie [n]: descent

afdanken

baan [v]: discharge; fire [informal]; dismiss [formal]; give the sack [informal]; sack [informal]; separate; axe [informal]; ax [informal], voorwerpen [v]: discard; throw away; chuck away [informal]; get rid of; ditch [informal]; dump [informal]; junk [informal]; trash [informal]

afdeling

algemeen [n]: division, trein [n]: compartment, administratie [n]: section; department, bedrijf [n]: department, militair [n]: division

afdelings-

algemeen [a]: departmental

afdelingschef

warenhuis - man [n]: floorwalker, warenhuis - vrouw [n]: floorwalker, winkel - man [n]: floorwalker; floor manager; sales manager, winkel - vrouw [n]: floorwalker; floor manager; sales manager

afdeling van het Hooggerechtshof

rechten - Groot-Brittannië [n]: Queen's Bench; queen's Bench Division; King's Bench; King's Bench Division

aanduidend

algemeen [a]: indicative

afdichten

algemeen [v]: occlude; block up

afdingen

prijs [v]: haggle; argue; knock down; bring down; beat down

afdoen

prijzen [v]: knock off; give a discount of, subject [v]: settle; conclude; bring to a conclusion, kleding [v]: take off; lay down

excreten

algemeen [n]: excreta

excretie

fysiologie [n]: excretion

excretieprodukten

algemeen [n]: excreta

excursie

reizen [n]: excursion; trip; outing

excursionist

man [n]: excursionist

excursioniste

vrouw [n]: excursionist

excuseer

interjectie [o]: pardon [informal]; excuse me [informal]

excuseren

straf [v]: let off; excuse, verontschuldigen [v]: excuse; pardon; forgive

excuus

leugen [n]: excuse; pretext; palliative [formal], reden [n]: excuse, verontschuldiging [n]: apology; excuse

ex-echtgenoot

man [n]: ex-husband; ex; former spouse

executeren

doden [v]: execute; put to death

executeur-testamentair

rechten - man [n]: executor

executie

rechten [n]: execution

executiebevel

rechten [n]: death warrant

executiepeloton

militair [n]: death squad; firing squad

executrice van een testament

rechten - vrouw [n]: executrix

exegese

godsdienst [n]: exegesis

exemplaar

publikatie [n]: copy

ex gratia

als gratificatie [a]: ex gratia; as a favor

existentialist

filosofie - man [n]: existentialist

existentialiste

filosofie - vrouw [n]: existentialist

existentie

filosofie [n]: existence; being

existentieel

filosofie [a]: existential

existeren

algemeen [v]: exist

ex-man

man [n]: ex-husband; ex; former spouse

exmissie

huis [n]: ejection; expulsion

exodus

algemeen [n]: exodus

ex officio

algemeen [o]: ex officio

exorbitant

prijzen [a]: extortionate; too expensive; exorbitant; outrageous; sky-high

exorciseren

godsdienst [v]: exorcize; drive out an evil spirit

exorcisme

algemeen [n]: exorcism

exorcist

godsdienst [n]: exorcist

exotisch

algemeen [a]: exotic

exotische gewassen

tuinbouwkunde [n]: exotic plants

expanderen

grootte [v]: expand; make larger, fysica [v]: expand, bedrijf [v]: grow; expand

expansie

fysica [n]: expansion

expansief

bedrijf [a]: expansive

expansionisme

politiek [n]: expansionism

expediteur

handel - man [n]: shipper

expediteursfirma

transport [n]: carrier

expeditie

algemeen [n]: expedition

expeditie-

militair [a]: expeditionary

experiment

proef [n]: experiment

experimenteel

algemeen [a]: experimental, empirisch [a]: empirical; experiential; experimental

experimenteren

algemeen [n]: experimentation

expert

bekwaamheid - man [n]: ace [informal]; expert; whizz [informal], gebouw - man [n]: appraiser, man [n]: expert; specialist; adept

experte

bekwaamheid - vrouw [n]: ace [informal]; expert [informal], vrouw [n]: expert; specialist; adept

expertise

bedrijf [n]: appraisal

expiratie

afloop [n]: expiry; expiration

expireren

vergunning [v]: expire; become void, overeenkomst [v]: expire; terminate [formal]; come to an end; stop

expliciet

algemeen [a]: explicit, algemeen [o]: explicitly; specifically, uitdrukkelijk [o]: clearly; explicitly; expressly

exploderen

opblazen [n]: blasting; blowing up; exploding, springstoffen [v]: detonate; explode; fulminate; blow up; go up; go off

exponent

wiskunde [n]: exponent

exponentieel

algemeen [a]: exponential

export

handel [n]: exportation

exporteren

handel [v]: export

exporteur

handel [n]: exporter

exposant

tentoonstelling - man [n]: exhibitor; exhibiter

exposante

tentoonstelling - vrouw [n]: exhibitor; exhibiter

exposé

verklaring [n]: exposition

exposeren

kunst [v]: exhibit

expositie

kunst [n]: exhibition; exposition; exhibit; show

expres

intentie [a]: willful; wilful; malicious; spiteful, intentie [o]: intentionally; purposely; premeditatedly; designedly

expresbrief

post [n]: express letter

expresse

post [n]: special delivery

expressief

gezicht [a]: expressive; meaning

expressionisme

kunst [n]: expressionism

expressionistisch

kunst [a]: expressionist

exprestrein

spoorwegen [n]: express train; express

expropriatie

onteigening [n]: dispossession [formal]; expropriation

exquis

kunst [a]: exquisite

exquisiet

smaak [a]: exquisite, kunst [a]: exquisite

extase

geestestoestand [n]: ecstasy

extatisch

geestestoestand [a]: ecstatic; thrilled; overjoyed; beside oneself, euforisch [o]: ecstatically; euphorically

ex-tempore

toespraak [o]: offhand; extemporaneously; extempore; impromptu; ad lib

extemporeren

toespraak [v]: extemporize; improvise; ad-lib

extemporisatie

toespraak [n]: improvisation; extemporization; ad-lib [informal]

extensief

veelomvattend [a]: extensive; far-reaching, uitvoerig [o]: extensively; widely; broadly

extern

van buitenaf [a]: extrinsic; external; outward; extraneous

exterritoriaal

algemeen [a]: extraterritorial

extra

informatie [a]: additional; supplementary; extra, voorwerpen [a]: auxiliary; additional; subsidiary; ancillary; supplementary; accessory; spare; extra, persoon [a]: auxiliary; additional; subsidiary; ancillary; supplementary; accessory, bijkomend [a]: plus; extra, geld [n]: perquisite [formal]; perk

extra belasting

belastingen [n]: surcharge

extra controleren

algemeen [v]: double-check; verify again; examine again

extract

apotheek [n]: extract, culinair [n]: extract

extractie

tandheelkunde [n]: extraction

extra gewicht

gewicht [n]: overweight

extra grote maat

kleding [n]: outsize

extraheren

tandheelkunde [v]: extract; draw out; pull out; take out; draw

extra inkomen

geld [n]: extra income; supplementary income; additional income

extrajudicieel

algemeen [a]: extrajudicial

extra kosten

dienst [n]: charge

extra laten betalen

post [v]: surcharge

extra les

onderwijs [n]: coaching; tutoring

extramuraal

algemeen [a]: extramural

extra-nieuwsuitzending

televisie [n]: news flash; flash

extrapoleren

algemeen [v]: extrapolate

extravagant

algemeen [a]: extravagant, prijzen [a]: exorbitant; unreasonable; immoderate; extravagant; steep; fancy; extortionate; too expensive; outrageous, idee [a]: wild; extravagant

extravagantie

gedrag [n]: extravagance

extra verdienste

geld [n]: perquisite [formal]; perk

extreem egotisme

gedrag [n]: egomania; excessive egotism

extremist

politiek - man [n]: extremist; radical; immoderate

extremiste

politiek - vrouw [n]: extremist; radical; immoderate

extrinsiek

niet wezenlijk [a]: extrinsic; not inherent

ex-vrouw

vrouw [n]: ex; former spouse

eyeliner

cosmetica [n]: eyeliner; liner

ezel

kunst [n]: easel, zoölogie [n]: donkey; ass, gedrag - man [n]: blockhead [informal]; knucklehead [informal]; bonehead [informal]; numskull [informal]; dumbbell [informal]; dingbat [informal]; simpleton [informal]; thickhead [informal]; dummy [informal]; dope [informal]; nitwit [informal]; boob [informal]; booby [informal]; jackass [informal]; asshole [slang]

ezelachtig

gedrag [a]: doltish; blockheaded; thickheaded; thick-skulled; thick-witted; oafish

ezelin

gedrag - vrouw [n]: blockhead [informal]; knucklehead [informal]; bonehead [informal]; numskull [informal]; dumbbell [informal]; dingbat [informal]; simpleton [informal]; dummy [informal]; dope [informal]; nitwit [informal]; boob [informal]; jackass [informal]; asshole [informal]

ezelsbruggetje

geheugen [n]: study aid; memory aid; mnemonic aid; mnemonic

ezelsoor

boeken [n]: dog-ear; dog's-ear

fa

muziek [n]: fa

faam

algemeen [n]: eminence, roem [n]: reputation; repute [formal]; fame; renown

fabel

verhaal [n]: fable

fabelachtig

legendarisch [a]: fabled; legendary, ongelooflijk [a]: fabulous; incredible; astounding; unbelievable

fabricage

bouw [n]: fabrication; manufacture

fabriceren

bouwen [v]: fabricate; manufacture; build

fabriek

industrie [n]: factory; plant

fabrieksarbeider

fabriek - man [n]: industrial worker; blue-collar worker

fabrieksarbeidster

fabriek - vrouw [n]: industrial worker; blue-collar worker

fabrikant

algemeen [n]: manufacturer

fabuleus

graad [a]: fabulous; wonderful; marvelous; superb; sensational [informal]; awesome [informal]; tremendous [informal]

façade

schijn [n]: coverup; front; cover-up; pretense; facade; disguise; mask; gloss, oneerlijkheid [n]: window dressing, gebouw [n]: face; facade; façade; front

face-à-main

optica [n]: lorgnette; lorgnon

face-lift

geneeskunde [n]: face-lift

facet

subject [n]: facet, voorwerpen [n]: facet

familie-

algemeen [a]: family; familial

familiegoed

algemeen [n]: heirloom

familieleven

algemeen [n]: family life; domesticity

familienaam

persoon [n]: last name; family name; second name; surname

familierelatie

algemeen [n]: consanguinity; kinship; blood relationship; family tie; relationship

familie zijn van

familie [v]: be connected with

fan

bewondering - man [n]: devotee; fan; enthusiast, bewondering - vrouw [n]: devotee; fan; enthusiast, auto's [n]: defroster, sport - man [n]: supporter; fan, sport - vrouw [n]: supporter; fan

fanaat

persoon - man [n]: freak [informal]; nut [informal]

fanaticus

emotioneel gedrag - man [n]: fanatic; zealot, politiek - man [n]: bigot

fanatiek

algemeen [a]: fanatical; fanatic

farmacoloog

wetenschap - man [n]: pharmacologist

farmacopee

geneeskunde [n]: pharmacopoeia

faryngitis

geneeskunde [n]: pharyngitis

farynx

anatomie [n]: pharynx

fascia

anatomie [n]: fascia

fascinatie

algemeen [n]: fascination

fascineren

vreugde [v]: enrapture; entrance; enchant; fascinate, aantrekkingskracht [v]: enthrall; enthral; captivate; fascinate, interesseren [v]: intrigue; fascinate, aandacht [v]: spellbind; fascinate; mesmerize

finaliteit

ideologie [n]: teleology

financieel

algemeen [a]: financial

financiële moeilijkheden

algemeen [n]: financial distress

financiën

algemeen [n]: finances; finance

financier

geld - man [n]: financier

financieren

bankwezen [n]: financing, bedrijf [v]: capitalize; finance

financiering

bankwezen [n]: financing

financierster

geld - vrouw [n]: financier

financies

algemeen [n]: finance

fineer

timmerwerk [n]: veneer

fopspeen

baby [n]: pacifier

forceerbaar

algemeen [a]: enforceable; imposable

force majeure

rechten [n]: circumstances beyond one's control; force majeure

forceps

geneeskunde [n]: forceps

forceren

openen [v]: force; break open; pry open, dwingen [v]: compel; force; oblige; coerce; press; constrain; pressure, afdwingen [v]: enforce; impose; compel observance

forcerend

dwingend [a]: compelling; constraining; forcing

forehand

sport [n]: forehand

forel

ichtyologie [n]: trout

forens

spoorwegen - man [n]: commuter, spoorwegen - vrouw [n]: commuter

forensisch

rechten [a]: forensic

frambozenstruik

plantkunde [n]: raspberry

Française

etnologie - vrouw [n]: Frenchwoman

franco

post [a]: postpaid

franje

algemeen [n]: fringe

frank

gedrag [a]: frank; outspoken; straightforward; unreserved; plain; straight, numismatiek [n]: franc

frankeren

post [v]: stamp

Frankfurter worstje

culinair [n]: frankfurter; frankforter; frankfurt; frankfort; frank; wiener; knockwurst

Frankrijk

aardrijkskunde [n]: France

Frans

algemeen [a]: French, taal [n]: French

Franse

etnologie - vrouw [n]: Frenchwoman

franse lelie

heraldiek [n]: fleur-de-lis; fleur-de-lys

Fransman

etnologie - man [n]: Frenchman

frappant

voorbeeld [a]: striking; remarkable, verschil [a]: striking; impressive; remarkable, aandacht [a]: arresting; interesting; striking; attracting attention, opvallend [a]: conspicuous; noticeable; obvious; remarkable

frapperen

aandacht [v]: strike

frase

woorden [n]: expression; phrase

fascinerend

algemeen [a]: fascinating, aantrekkingskracht [a]: enthralling; captivating; fascinating; entrancing, interesseren [a]: intriguing; fascinating, aandacht [a]: captivating; charming; fascinating; compelling, boeiend [a]: absorbing; engrossing

fascinerende spreekster

vrouw [n]: spellbinder

fascinerend spreker

man [n]: spellbinder

fascisme

politiek [n]: fascism

fascist

politiek - man [n]: fascist; Black Shirt; Blackshirt

fasciste

politiek - vrouw [n]: fascist; Black Shirt

fascistisch

politiek [a]: fascist

fase

ontwikkeling [n]: phase; stage

fat

denigrerend [n]: fop, persoon [n]: dandy

fataal

dodelijk [a]: deadly; fatal; mortal, algemeen [o]: fatally; deadly; mortally

fatalisme

gedrag [n]: fatalism

fatalist

gedrag - man [n]: fatalist

fataliste

gedrag - vrouw [n]: fatalist

fatalistisch

algemeen [a]: fatalistic

fata morgana

hoop [n]: mirage, natuur [n]: fata morgana; mirage

fatsoen

algemeen [n]: grace, moraliteit [n]: propriety [formal], gedrag [n]: decorum; propriety; respectability; decency; tact

feest

algemeen [n]: fete; fête; gala, vermaak [n]: party, godsdienst [n]: festival; festivity

feestdag

viering [n]: holiday

feestelijk

algemeen [a]: festive

feestelijkheden

gebeurtenis [n]: festivities

feestelijkheid

godsdienst [n]: festival; festivity, vrolijkheid [n]: conviviality; merriment; merrymaking; festivity

feesten

feestje [n]: revelry; revelries; reveling; revelling, viering [v]: celebrate; party

feestfiguur

feestje - man [n]: partygoer; merrymaker; party animal [informal]; partier; partyer; reveler; reveller, feestje - vrouw [n]: partygoer; merrymaker; party animal [informal]; partier; partyer; reveler; reveller

feestgewaad

kleding [n]: panoply

feestje

vermaak [n]: party

feestmaal

culinair [n]: banquet; feast

feestneus

feestje - man [n]: partygoer; merrymaker; party animal [informal]; partier; partyer; reveler; reveller, feestje - vrouw [n]: partygoer; merrymaker; party animal [informal]; partier; partyer; reveler; reveller

feestnummer

feestje - man [n]: partygoer; merrymaker; party animal [informal]; partier; partyer; reveler; reveller, feestje - vrouw [n]: partygoer; merrymaker; party animal [informal]; partier; partyer; reveler; reveller

feestvarken

verjaardag - man [n]: birthday boy, verjaardag - vrouw [n]: birthday girl

feestvieren

feestje [n]: revelry; revelries; reveling; revelling, viering [v]: celebrate; party

feilbaar

algemeen [a]: fallible; error-prone

feilbaarheid

algemeen [n]: fallibility

feilloos

remedie [a]: infallible

feit

algemeen [n]: fact, gegeven [n]: datum; fact

feitelijk

algemeen [a]: virtual, rechten [o]: de facto

fel

ruzie [a]: violent; fierce, gevecht [a]: fierce; bitter, wind [a]: fierce, competitie [a]: keen; intense; strong, graad [a]: shrill, kleur [a]: flamboyant; showy; flashy, gedrag [a]: vehement

felheid

wind [n]: fierceness, gedrag [n]: vehemence; vehemency

felicitatie

gelukwens [n]: congratulation; felicitation; complimenting

felicitatie-

feliciterend [a]: congratulatory; complimentary; felicitating; praising

filament

textiel [n]: filament

filantroop

gedrag - man [n]: philanthropist

filantrope

gedrag - vrouw [n]: philanthropist

filantropie

algemeen [n]: philanthropy, ideologie [n]: humanitarianism

filantropisch

algemeen [a]: philanthropic; philantropical

filatelie

algemeen [n]: philately

filatelist

collectie - man [n]: philatelist

filateliste

collectie - vrouw [n]: philatelist

filatelistisch

algemeen [a]: philatelic

file

verkeer [n]: back up; back-up; traffic jam, auto's [n]: line

fileren

culinair [v]: fillet

filet

culinair [n]: fillet

filharmonisch

muziek [a]: philharmonic

filiaal

bedrijf [n]: branch; division

filigraan

juwelen [n]: filigree

Filippijn

etnologie - man [n]: Filipino

Filippijnen

aardrijkskunde [n]: Philippines

Filippijns

algemeen [a]: Filipino; Philippine

Filippijnse

etnologie - vrouw [n]: Filipino

Filistijn

etnologie - man [n]: Philistine

film

filmkunst [n]: movie; film; picture, fotografie [n]: film, dunne laag [n]: film; thin coating

filmcamera

filmkunst [n]: movie camera

filmen

filmkunst [n]: filming

filmkunst

algemeen [n]: cinematography

filmmaakster

filmkunst - vrouw [n]: moviemaker; filmmaker

filmmaker

filmkunst - man [n]: moviemaker; filmmaker

filtreerkan

keukengerei [n]: percolator

filtreren

vloeistof [v]: filter

filtrering

algemeen [n]: filtration; filtering

filtrum

algemeen [n]: philter

Fin

etnologie - man [n]: Finn

finaal

ultiem [a]: ultimate; final

finale

theater [n]: finale

finalist

persoon - man [n]: finalist

finaliste

persoon - vrouw [n]: finalist

finesse

tact [n]: finesse, persoon [n]: refinement

fingeren

bedrog [v]: pretend; feign; simulate; fake

Finland

aardrijkskunde [n]: Finland

Fins

algemeen [a]: Finnish, taal [n]: Finnish

Finse

etnologie - vrouw [n]: Finn

fiool

houder [n]: phial; vial

firma

bedrijf [n]: company; establishment; business company; firm; enterprise; business venture; organization; business firm; undertaking

fiscaal

financiën [a]: fiscal

fistel

geneeskunde [n]: fistula

fit

fysische conditie [a]: fit

fitheid

conditie [n]: fitness; physical health

fitting

lamp [n]: socket; fitting

fixatie

psychologie [n]: fixation

fixatief

algemeen [n]: fixative

fixeermiddel

algemeen [n]: fixative

fixeren

fotografie [n]: fixation, fotografie [v]: fix

fjord

geologie [n]: fjord

flacon

houder [n]: flask

fladderen

vlag [n]: flapping; fluttering, algemeen [v]: flit, vogels [v]: flap; flutter

flagellatie

straf [n]: flagellation; whipping; flogging; lashing

flagelleren

straf [v]: flagellate

flageolet

muziek - instrumenten [n]: flageolet

flagrant

vergissing [a]: egregious; flagrant; gross, schaamteloos [a]: blatant; flagrant, schandelijk [a]: flagrant; outrageous

flagstone

algemeen [n]: flagstone

flair

talent [n]: talent; gift; aptitude; flair

flakkeren

kaars [v]: flare

flakkering

kaars [n]: flare

flamberen

culinair [v]: flambé

flamenco

dansen [n]: flamenco

flamingo

ornithologie [n]: flamingo

flanel

textiel [n]: flannel

flaneren

vermaak [v]: amble; stroll; saunter; ramble

flaneren langs

vermaak [v]: promenade [formal]; walk along

flaneur

denigrerend - man [n]: lounger

flank

paard [n]: flank, militair [n]: flank

flankeren

grens [v]: flank

flansen

scholen [n]: truancy; truanting, scholen [v]: play truant; play hookey; skip school

flapperen

vleugels [n]: flapping; fluttering

flaptekst

algemeen [n]: blurb

flard

teken [n]: shred; scrap

flarden

kleding [n]: tatters; shreds

flash-back

bioscoop [n]: flashback

flat

gebouw [n]: condominium; apartment; tenement; apartment building; apartment complex

flater

vergissing [n]: blooper [informal]; goof [informal]; blunder; boo-boo [slang]; booboo [slang]; howler [informal], gedrag [n]: gaffe; faux pas

flatgebouw

verpauperde buurt van de stad [n]: tenement; tenement house, gebouw [n]: apartment building; apartment complex

flatgebouw met koopflats

gebouw [n]: condominium; condo

flatje

gebouw [n]: small apartment; efficiency apartment; efficiency

flatteren

vleierij [v]: sweet-talk [informal]; flatter

flatteus

vleiend [a]: flattering; laudatory

flatulentie

geneeskunde [n]: flatulence; flatulency

flauw

verhaal [a]: feeble; weak, handel [a]: slow, smaakloos [a]: flavorless; tasteless; bland; insipid

flauwekul

gepraat [n]: nonsense; rubbish; empty talk; blah; a load of wind; bullshit [slang]; claptrap [informal], belangrijkheid [n]: baloney [informal]; boloney [informal]; bunkum [informal]; buncombe [informal]; rubbish; bullshit [slang]; nonsense

flauwte

bewustzijn [n]: faint

flauwvallen

geneeskunde [n]: fainting; loss of consciousness; passing out

flauw vallen

geneeskunde  [v]: faint; lose consciousness; black out; pass out

flebitis

geneeskunde [n]: phlebitis

flegma

gedrag [n]: stolidity; stolidness; phlegm

flegmatiek

karakter [a]: phlegmatic; phlegmatical, gedrag [a]: stolid; phlegmatic; composed; cool; collected

flegmatisch

karakter [a]: phlegmatic; phlegmatical

flemen

vleierij [v]: fawn on; lick feet; toady; fawn upon; brown-nose [slang]; curry favor with; sweet-talk [informal]; flatter

flens

mechanisch [n]: flange

flensje

culinair [n]: crepe; crêpe

fles

houder [n]: bottle; flask

flesje

houder [n]: phial; vial; flask

flessegroen

kleur [a]: bottle-green

flessentrekkerij

oneerlijkheid [n]: confidence game; con game [informal]

flesvoeding

baby [n]: formula; baby formula

fleurig

kamer [a]: cheerful; colorful

fluit

muziek - instrumenten [n]: flute; fife; whistle

fluiten

instrument [v]: whistle, vogels [v]: whistle, geluid [v]: whistle, persoon [v]: whistle

fluitist

muziek - man [n]: flautist; flutist

fluitiste

muziek - vrouw [n]: flautist; flutist

fluitje

muziek - instrumenten [n]: whistle

fluitspeelster

muziek - vrouw [n]: flautist; flutist

fluitspeler

muziek - man [n]: flautist; flutist

fluor

chemie [n]: fluorine

fluorescent

algemeen [a]: fluorescent

fluorescentie

algemeen [n]: fluorescence

fluorescentiebuis

verlichting [n]: neon light; fluorescent light; neon tube; neon lamp

fluoresceren

algemeen [v]: fluoresce

fluorescerend

algemeen [a]: fluorescent

fluorescerend licht

verlichting [n]: neon light; fluorescent light

foneem

linguïstiek [n]: phoneme

fonetica

linguïstiek - vrouw [n]: phonetician

foneticus

linguïstiek - man [n]: phonetician

fonetiek

linguïstiek [n]: phonetics

fonetisch

linguïstiek [a]: phonetic

fonkelen

juwelen [v]: flash; sparkle, licht [v]: twinkle, schitteren [v]: scintillate; sparkle

fonkelend

licht [a]: scintillating; sparkling

fonkeling

helderheid [n]: sparkle; glitter; brilliance, licht [n]: scintillation; sparkle

fonograaf

muziek [n]: record player; phonograph [arch.]

fonologie

wetenschap [n]: phonology, linguïstiek [n]: phonemics

fontein

water [n]: fountain

fooi

restaurant [n]: tip; gratuity; baksheesh

foor

vermaak [n]: carnival; travelling circus; traveling circus; fair

foppen

grap [v]: fool; trick; take in

forensische geneeskunde

rechten [n]: forensic medicine; forensic science

forenzen

pendelen [v]: commute; shuttle; drive back and forth

forfaitair

bedrag [a]: agreed; fixed

filmmonteerder

film - man [n]: cutter

filmmonteerster

film - vrouw [n]: cutter

filmmuziek

film [n]: film score; score, muziek [n]: soundtrack

filmprojector

filmkunst [n]: movie projector; film projector; projector

filmregisseur

bioscoop - man [n]: director; movie director; film director

filmregisseuse

bioscoop - vrouw [n]: director; movie director; film director

filmster

bioscoop - man [n]: film star, bioscoop - vrouw [n]: film star

filmsterretje

bioscoop - vrouw [n]: starlet

filmstrip

filmkunst [n]: filmstrip

filmvedette

bioscoop - man [n]: film star, bioscoop - vrouw [n]: film star

filmvertoning

film [n]: screening

filologe

wetenschap - vrouw [n]: philologist

filologie

wetenschap [n]: philology

filologisch

algemeen [a]: philological

filoloog

wetenschap - man [n]: philologist

filosofe

filosofie - vrouw [n]: philosopher

filosoferen

algemeen [v]: philosophize

filosofie

algemeen [n]: philosophy

filosofisch

filosofie [a]: philosophical; philosophic

filosoof

filosofie - man [n]: philosopher

filter

sigaret [n]: filter; filter tip, chemie [n]: filter

filteren

vloeistof [v]: filter

filtertoestel

chemie [n]: filter

filtratie

algemeen [n]: filtration; filtering

filtreerbaar

algemeen [a]: filterable

formaat

algemeen [n]: format

formaline

chemie [n]: formalin

formaliseren

algemeen [v]: formalize

fosforescerend

algemeen [a]: phosphorescent

fosforhoudend

chemie [a]: phosphorous

fossiel

prehistorie [n]: fossil

fossilisatie

prehistorie [n]: fossilization

foto

fotografie [n]: photograph; photo [informal]; picture; shot [informal]

fotocel

elektronica [n]: photoelectric cell; electric eye

fotocopie

fotokopieerapparaat [n]: photocopy; copy

foto-elektrisch

algemeen [a]: photoelectric

foto-elektrische cel

elektronica [n]: photoelectric cell

fotofinish

sport [n]: photo finish

fotogeniek

persoon [a]: photogenic

fotograaf

beroep - man [n]: photographer

fotografe

beroep - vrouw [n]: photographer

fotograferen

fotografie [v]: photograph; take pictures of

fotografie

kunst [n]: photography

fotografisch

fotografie [a]: photographic, fotografie [o]: photographically

fotogravure

drukken [n]: photogravure

fotokopie

fotokopieerapparaat [n]: photocopy; copy

fotokopieerapparaat

kantoorbenodigdheden [n]: photocopier

fotokopiëren

fotokopieerapparaat [v]: photocopy; copy; xerox

fotolithografie

drukken [n]: photolithography

fotometer

fysica [n]: photometer

fotomodel

mode - man [n]: model, mode - vrouw [n]: model

foton

optica [n]: photon

foto's nemen van

fotografie [v]: photograph; take pictures of

frituren

culinair [n]: frying, culinair [v]: deep-fry

frituurpan

keukengerei [n]: deep fryer; deep-frying pan

frivoliteit

algemeen [n]: frivolity

frivool

algemeen [a]: frivolous, vrouw [a]: flighty

fronsen

rok [v]: gather

front

algemeen [n]: frontage, gebouw [n]: facade; front; face, militair [n]: front, schijn [n]: pretense; facade; disguise; mask; gloss

frontaal

aanrijding [a]: head-on

frontispice

typografie [n]: frontispiece

oceanografe

wetenschap - vrouw [n]: oceanographer

oceanografie

wetenschap [n]: oceanography

ocelot

zoölogie [n]: ocelot

ochtend

periode [n]: morning, tijd [n]: morning

ochtendgloren

periode [n]: dawn; daybreak; sunrise; break of day

ochtendjas

kleding - vrouw [n]: housecoat

ochtendmens

gedrag - man [n]: early bird; morning person, gedrag - vrouw [n]: early bird; morning person

octaaf

muziek [n]: octave

octaan

chemie [n]: octane

octagonaal

geometrie [a]: octagonal

grondplan

architectuur [n]: ground plan

grondreden

algemeen [n]: rationale [formal]

heersende stroming

denken [n]: mainstream

heerser

politiek [n]: ruler; sovereign

heerszuchtig

persoon [o]: imperial; imperious; out for power

hees

stem [a]: croaky; hoarse

heesheid

stem [n]: hoarseness; huskiness

heester

plantkunde [n]: shrub

heet

temperatuur [a]: hot, seksueel gedrag [a]: sexually excited; horny [informal], voedsel [a]: hot; spicy

herinneringen ophalen

algemeen [v]: reminisce

herinneringen oproepend

algemeen [a]: reminiscent

herinneringsbrief

betaling [n]: reminder

herkansing

scholen - universiteiten [n]: re-examination

fotosynthese

algemeen [n]: photosynthesis

fototoestel

fotografie [n]: camera

fouilleren

persoon [v]: frisk [informal]; search

fouillering

veiligheid [n]: body search; frisk [slang]; shakedown [slang]

fournituren

handel [n]: notions

fourniturenhandelaar

handel - man [n]: dealer in notions

fourniturenhandelaarster

handel - vrouw [n]: dealer in notions

fourniturenwinkel

winkel [n]: dealer in notions

fout delen

spelen - kaarten [n]: misdeal

foutenmarge

veiligheid [n]: margin of error

foutief

optelling [a]: wrong; not correct, incorrect [a]: incorrect; not correct, verkeerd [o]: wrong; incorrectly; wrongly; amiss

foutje

algemeen [n]: slip-up, vergissing [n]: lapse

foutloos

volmaakt [a]: faultless; flawless; perfect

fox-terrier

hond [n]: fox terrier

foxtrot

dans - muziek [n]: fox trot; fox-trot

foyer

hotel [n]: foyer; lobby; lounge

fraai

versiering [a]: fancy; ornamental; decorative, uiterlijk [a]: neat; chic; elegant; stylish; sophisticated; dashing, graad [a]: cool [informal]; neat [informal], mooi [a]: beautiful; lovely, uiterlijk [o]: nicely; neatly; prettily

fraaier voorstellen dan de realiteit

verhaal [v]: prettify; embellish

frasering

algemeen [n]: phrasing

frater

godsdienst - man [n]: friar

fratsels

algemeen [n]: frippery

fraude

geld [n]: fraud; deception

fraude plegen

misdaad [v]: commit fraud

frauderen

misdaad [v]: commit fraud

fraudeur

misdaad - man [n]: embezzler; peculator [formal]

fraudeuse

misdaad - vrouw [n]: embezzler; peculator [formal]

frauduleus

rechten [a]: fraudulent

freak

persoon - man [n]: freak [informal]; nut [informal]

freelance

baan [a]: freelance

frees

werktuigen [n]: cultivator, geschiedenis [n]: ruff

freewheelen

sport - wielrennen [v]: freewheel

fregat

nautisch [n]: frigate

frekwenteren

winkel [v]: patronize [formal]; be a patron of; be a customer of

frêle

fysische conditie [a]: frail; weak

frenetiek

poging [a]: frenetic; frenetical; frantic [informal]; phrenetic [arch.]

frenologie

geneeskunde [n]: phrenology

frequent

algemeen [a]: frequent

frequentie

algemeen [n]: frequency

fresco

kunst [n]: fresco

fresia

plantkunde [n]: freesia

fret

werktuigen [n]: gimlet, zoölogie [n]: ferret

fretboor

werktuigen [n]: gimlet

fretten

jacht [n]: ferreting

freudiaans

psychologie [a]: Freudian

Freudiaans

psychologie [a]: Freudian

frezen

landbouw [v]: work with a cultivator

fricatief

linguïstiek [n]: fricative

frictie

fysica [n]: friction

friemelen

handen [v]: fiddle; twiddle; fidget

friemelen met

handen [v]: twiddle with; fiddle with; fidget with; twiddle

fries

architectuur [n]: frieze

friet

culinair [n]: French fries; fries; French fried potatoes

frieten

culinair [n]: French fries; fries; French fried potatoes

frigide

vrouw [a]: frigid

frigiditeit

vrouw [n]: frigidity

fris

lucht [a]: fresh, schoonmaken [a]: clean; neat, weer [a]: chilly; chill; fresh; coolish; nippy

frisdrank

dranken [n]: soft drink; soda; pop [informal]; soda pop [informal]

fris en gezond

persoon [a]: hale and hearty; strong

friseren

haar [v]: crimp

frisheid

temperatuur [n]: coolness, uiterlijk [n]: freshness

frisjes

weer [a]: chilly; chill; fresh; coolish; nippy

frisser

temperatuur [a]: cooler

frisser worden

weer [v]: freshen; become colder

frites

culinair [n]: French fries; fries; French fried potatoes

friteuse

keukengerei [n]: deep fryer; deep-frying pan

frontlijn

militair [n]: front line

frontlinie

militair [n]: front line

fronton

architectuur [n]: pediment; tympanum

fruit

plantkunde [n]: fruit

fruitautomaat

gokken [n]: slot machine; one-armed bandit; one-arm bandit; slot [informal]

fruiten

culinair [v]: sauté

fruithandelaar

handel - man [n]: fruiterer

fruithandelaarster

handel - vrouw [n]: fruiterer

fruitpers

algemeen [n]: squeezer

fruitsalade

culinair [n]: fruit salad

fruitvlieg

entomologie [n]: fruit fly

frunniken

handen [v]: fiddle; twiddle; fidget

frunniken aan

handen [v]: twiddle with; fiddle with; fidget with; twiddle

frustratie

geestestoestand [n]: frustration, teleurstelling [n]: discomfiture; frustration

frustreren

teleurstelling [v]: frustrate

frustrerend

algemeen [a]: frustrating

frutselen

handen [v]: fiddle; twiddle; fidget

frutselen aan

handen [v]: twiddle with; fiddle with; fidget with; twiddle

frutsels

algemeen [n]: frippery

frutsels en fratsels

algemeen [n]: frippery

ftisis

geneeskunde [n]: phthisis

fuchsia

plantkunde [n]: fuchsia

fuga

muziek [n]: fugue

fuif

uitspatting [n]: binge [informal]; spree, vermaak [n]: spree; drinking bout; bender

fuifnummer

feestje - man [n]: partygoer; merrymaker; party animal [informal]; partier; partyer; reveler; reveller, feestje - vrouw [n]: partygoer; merrymaker; party animal [informal]; partier; partyer; reveler; reveller

fuiven

viering [v]: celebrate; party

full-back

sport - voetbal [n]: fullback

full-time

baan [o]: full-time

fulminant

gedrag [a]: fulminant; fulminating

functie

algemeen [n]: function, persoon [n]: capacity; function

functionaris

regering - man [n]: functionary; official; subordinate official, regering - vrouw [n]: functionary; official; subordinate official, man [n]: officer; official; agent, vrouw [n]: officer; official; agent

functioneel

bedoeling [a]: functional, gebruik [a]: functional

functioneren

mechanisch [n]: operation; functioning, mechanisch [v]: function; work; operate; go; run

functionerend

mechanisch [a]: functioning; functional; operative

fundament

algemeen [n]: foundation, principe [n]: foundation; basis; ground, gebouw [n]: basis; foundation; base

fundamenteel

basis- [a]: basic; fundamental, in de grond [o]: basically; fundamentally

funderen

beslissing [v]: base; found

fundering

algemeen [n]: foundation, constructie [n]: substructure, gebouw [n]: foundations

fungeren als

bedoeling [v]: function as, taak [v]: act as; function as

fungicide

chemicaliën [n]: fungicide

fungus

plantkunde [n]: fungus

furlong

maten - gewichten [n]: furlong

furunkel

geneeskunde [n]: boil; furuncle

fractie

algemeen [n]: fraction

fragiel

goederen [a]: fragile; breakable; frail, fysische conditie [a]: frail; weak

fragment

tekst [n]: fragment; snippet [informal], televisie [n]: clip, boeken [n]: excerpt; extract, materiaal [n]: fragment; scrap; bit; piece

fragmentarisch

onvolledig [a]: fragmentary; fragmental

fragmentatie

algemeen [n]: fragmentation

fraise

geschiedenis [n]: ruff

framboesia

geneeskunde [n]: yaws

framboos

plantkunde - vrucht [n]: raspberry

fraseologie

algemeen [n]: phraseology

nymfomane

psychiatrie - vrouw [n]: nymphomaniac

nymfomanie

psychiatrie [n]: nymphomania

o

algemeen [o]: oh

oase

geologie [n]: oasis

obductie

geneeskunde [n]: autopsy; post-mortem; postmortem; postmortem examination; necropsy; necroscopy; coroner's inquest; inquest

obelisk

algemeen [n]: obelisk

o-benen

lichaam [n]: bowlegs; bandy legs

ober

restaurant - man [n]: waiter

objectief

oordeel [a]: objective; unbiased, optica [n]: objective

objectiviteit

oordeel [n]: objectivity

oblie

snoepgoed [n]: wafer

obligatie

beurs [n]: security, financiën [n]: bond; debenture

obligatiecertificaat

beurs [n]: security

obligatiehouder

financiën - man [n]: bondholder

obligatiehoudster

financiën - vrouw [n]: bondholder

obligatoir

verplicht [a]: compulsory; obligatory; mandatory; peremptory [formal]

ocarina

muziek - instrumenten [n]: ocarina

occasion

boodschappen [n]: secondhand buy; second-hand buy; second hand buy

occasioneel

algemeen [a]: occasional, algemeen [o]: occasionally

occlusief

linguïstiek [n]: stop; plosive

occult

magie [a]: occult

occultisme

algemeen [n]: occultism

oceaan

algemeen [n]: ocean

oceaan-

nautisch [a]: ocean-going

oceanograaf

wetenschap - man [n]: oceanographer

octavo

typografie [n]: octavo

octet

muziek [n]: octet

octogonaal

geometrie [a]: octagonal

octopus

weekdieren [n]: octopus

octrooi

industrie [n]: patent

oculair

geneeskunde [a]: ocular, fysica [n]: ocular; eyepiece

oculairlens

fysica [n]: ocular; eyepiece

oculist

oftalmologie - man [n]: ophthalmologist; eye doctor; oculist [arch.]

oculiste

oftalmologie - vrouw [n]: ophthalmologist; eye doctor; oculist [arch.]

ode

poëtisch [n]: ode

odometer

voertuigen [n]: odometer

oedeem

geneeskunde [n]: edema; dropsy

oedemateus

geneeskunde [a]: dropsical; edematous; edematose

oedipuscomplex

psychiatrie [n]: Oedipus complex

oef

interjectie [o]: phew; whew

oefenboksen

sport - boxen [n]: sparring, sport - boxen [v]: spar

oefenen

training [v]: practise; practice; train, fysische activiteit [v]: exercise

oefening

algemeen [n]: exercise, training [n]: practice; exercise, militair [n]: drill; training

aan beide kanten

positie [o]: on both sides

aanhanger

theorie - man [n]: supporter, idee - man [n]: supporter, politiek - man [n]: follower; adherent

aanhanger van godsdienstige opleving

godsdienst - man [n]: revivalist

aanhangig

rechten [a]: pending

aanhangsel

boek [n]: addendum; annex, boeken [n]: appendix, schrijven [n]: tailpiece

aanhangster

theorie - vrouw [n]: supporter, idee - vrouw [n]: supporter, politiek - vrouw [n]: follower; adherent

aanhangster van godsdienstige opleving

godsdienst - vrouw [n]: revivalist

aanhangwagen

voertuigen [n]: trailer

aanhankelijk

gedrag [a]: affectionate; clinging

aanhankelijkheid

politiek [n]: adherence

aan hebben

kleding [v]: wear; have on

aan beide zijden

toegeving [o]: on both sides

aanhechten

bevestigen [v]: append; affix; join

aanhechting

bedrijf [n]: affiliation, politiek [n]: annexation, verbinding [n]: attachment; connection

aanhef

brief [n]: greeting; salutation [formal]

aanheffen

praten [v]: pipe up

aan het eind van zijn Latijn zijn

probleem [v]: be at one's wits end [informal]

aan het gezicht onttrekken

uitzicht [v]: blot out; obliterate; cover; hide

aan het hoofd staan

leiden [v]: head; lead

aanpunten

potlood [v]: sharpen

aanraden

adviseren [v]: advise; recommend; counsel [formal]

aanraken

uitgestalde waren [v]: touch; handle, zintuiglijke gewaarwording [v]: feel; touch, subject [v]: touch on; touch upon

aanraking

zintuiglijke waarneming [n]: touch, aktie [n]: touch

aanranden

misdaad [v]: assault; assail

aanreiken

algemeen [v]: hold out; offer, hand [v]: extend, voorwerp [v]: reach; give; pass, voorwerpen [v]: hand; give

aanrekenen

koopwaar [v]: charge

aanrichten

schade [v]: cause; bring about

aanbidder van Satan

man [n]: satanist

aanrijden

ongeval [v]: knock down; knock over, voertuigen [v]: bump into; crash into; smash into; collide with

aanrijding

verkeer [n]: accident; crash, auto's [n]: collision

aanroeping

spiritisme [n]: conjuration; invocation

aanroeren

topic [v]: touch, aanraking [v]: touch lightly; brush against

aanschaf

algemeen [n]: acquisition, handel [n]: buying; purchasing [formal]; purchase [formal]